maandag 3 september 2012

Met de Buddha op vacantie

Zoals we al zagen is het erkennen van het lijden en het onder ogen zien van de onvermijdelijke ellende en het onmiskenbare onrecht in de wereld de eerste Nobele Waarheid van het Boeddhisme.
Dat betekent trouwens ook dat we niet trappen in de valkuil van het onbarmhartige psycholische mechanisme (waarvan mij de naam ontschoten is) waardoor wij neigen de rampen of de mazzel die mensen ten deel vallen toe te schrijven aan hun persoonlijke schuld of verdienste omdat wij de gedachte van een onverschillig en onrechtvaardig Noodlot onverdragelijk vinden.
Hier wordt niks goedgepraat. Integendeel. Het lijden vormt het uitgangspunt van de leer.
De Tweede Nobele Waarheid is wat mij betreft even overtuigend: het Zelf is een illusie.
Jaloezie, boosheid, verdriet, verlangen, ambities... wat zich in ons afspeelt zijn evenzovele achtereenvolgende toestanden van niet-ik. Het ik zit erbij en kijkt er naar. Het zorgt hoogstens voor een illusie van continuiteit. Zelf is het Leegte.
Het is goed mogelijk dat de Buddha dit als eerste bedacht en geformuleerd heeft. Het is nadien natuurlijk door velen opnieuw bedacht. Vermoedelijk al in onze eigen oudheid (Stoa)  en zeker door bijvoorbeeld Hume.
Maar het is tegenwoordig niet meer alleen een uitkomst van filosofische introspectie. De nieuwe breinwetenschappen hebben ook voor empirische onderbouwing van de stelling gezorgd.

Bij de volgende waarheden wordt het helaas voor mij wat vager. Niet verbazend voor de uitspraken van een genie van 2500 jaar geleden die zelf niets opschreef en afkomstig was uit een totaal andere cultuur. Waarbij nog komt dat voor mijn studie van het B. het woord opppervlakkig voorlopig nog een eufemisme is.
Wat ik er van begrijp behelst de Derde Waarheid dat de beide eerdere inzichten voor iedereen toegankelijk zijn die bereid is het achtvoudig nobele pad te volgen.
Ik juich toe dat de waarheid voor de Buddha niet een esoterische aangelegenheid is voor een priesterlijke elite, maar door iedereen kan worden bereikt. En ik juich ook toe dat iedereen die een beter mens is dan ik de bewonderenswaardige weg van inzicht en compassie volgt die hem of haar een nog beter mens kunnen maken.
Maar ik zie het voorwaardelijke verband tussen de Boeddhistische zelfverbetering en de eerste twee stellingen niet.
Men kan zeer wel het kwaad in de wereld en de uitkomsten van de moderne breinwetenschap erkennen zonder eerst een fatsoenlijk mens te worden.
En daarmee raakt meteen de vierde Nobele Waarheid in de problemen, die belooft dat het resultaat van deze inspanningen zal leiden tot Verlichting en daarmee bevrijding van het lijden. Men komt er blijkbaar als het ware boven te staan. Maar over wat voor soort lijden gaat het hier?
Waar leidt dit toe en wie is hier nu echt mee geholpen?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen