zaterdag 17 september 2011

esthetische ontroering

De hevige ervaring van schoonheid, het gevoel van:  O, wat is dit mooi. Bovenaards. Het gevoel van verzoening. Dat niet alles zinloos, willekeurig en vergeefs is. Maar dat het alleen en onvermijdelijk zo kan zijn als het is en dat niets ervan verbeterd of gemist kan worden. De ervaring van: hoe is het mogelijk dat een mens dit gemaakt heeft? En hoe overweldigend moet het wel niet zijn om die mens te zijn die dit kan maken?
Die ontroering dus heb ik veel vaker met muziek dan met enige andere kunstvorm.
Er zijn talloze muziekstukken of muzikale passages waarvan ik als aandachtig luister tot tranen toe ontroerd kan raken. Maar bij andere kunsten komt het maar zelden voor. Ik kan mij die ervaring ook herinnneren als een vorm van verliefdheid bij de aanschouwing van enkele schilderijen: een Giotto, een Vermeer, een Cezanne. En als ervaring van tijdloosheid bij een sporadische balletvoorstelling. Maar bij bijvoorbeeld litteratuur al nauwelijks.
Het curieuze is dat mij onduidelijk is of dit nu ligt aan de aard van de kunstvorm en de delen van de hersenen waarop een beroep gedaan wordt of aan mijn eigen onbevoegdheid (voorzover ik die zelf kan bepalen ) om de esthetische kwaliteit van een kunstwerk te beoordelen.
Ik ben niet bijster muzikaal. Ik ervaar muziek eigenlijk min of meer rechtsstreeks en fysiek: van Strauss kan ik echt onpasselijk worden en van Mozart bijna altijd vrolijk. Er lijken weinig cerebrale operaties of neigingen tot bewuste kritische beoordeling tussen te zitten. Ik stel mij voor dat iemand die muzikaal is die naieviteit niet altijd kan opbrengen en vaak stukjes van zelfs Bach of Beethoven als tamelijk clichematige deuntjes zal ervaren. En blijkbaar in staat is zelfs waardering voor Strauss op te brengen; anders werd het niet meer gespeeld door de Harnoncourts van deze wereld.
Als zoon van een schilder heb ik op grond van directe ervaring van jongsafaan veel meer vertrouwen in mijn beoordelingsvermogen wanneer het gaat om de kwaliteit van schilderijen - maar veel minder belevingen van ontroering.
En na een levenslange opleiding tot 'intellectueel" kan ik enig werk van litteraire aard al helemaal niet meer onbevangen tot mij nemen.
Kortom mijn ontroering is omgekeerd evenredig aan mijn deskundigheid. Anderzijds vermoed ik dat de auditieve ervaring directer is dan de visuele. En dat de ervaring met tussenkomst van lezen of overdracht van emoie met tussenkomst van tekst nog afstandelijker.
Het is mij dus onduidelijk of wat de ontroering in de weg staat het kritisch vermogen is of de mate waarin de kunstvorm door zijn aard cerebrale operaties van de neocortex vergt.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen